Criteria cluster 2

Om les te krijgen op een cluster 2 school moeten kinderen dus doof of slechthorend zijn. Binnen deze grenzen zijn er diverse niveaus van slechthorendheid. Deze worden aangegeven in de hoeveelheid decibel die iemand verliest.

  • 0 tot 30 dB verlies: normaal horend tot licht slechthorend. Deze vorm van gehoorverlies hoeft geen invloed te hebben op de levenskwaliteit en wordt vaak pas opgemerkt in omgevingen waar veel lawaai is.
  • 30 tot 60 dB verlies: licht tot matig slechthorend. Bij deze vorm van gehoorverlies heeft de persoon vaak last met het voeren van groepsgesprekken en wordt het gehoorverlies ook opgemerkt in stille omgevingen.
  • 60 tot 70 dB verlies: ernstig slechthorend. Deze personen kunnen alleen gesprekken op luide toon goed verstaan en hebben ernstige moeite met het voeren van groepsgesprekken.
  • 70 tot 90 dB verlies: zwaar slechthorend. De persoon kan luide gesprekken nog wel horen, maar niet altijd goed verstaan.
  • 90 tot 110 dB verlies: doof. Op dit niveau heeft een gehoortoestel weinig effect en heeft de persoon moeite met één op één gesprekken.
  • 110 tot 120 dB verlies: diepdoof. Personen die diepdoof zijn kunnen alleen nog trillingen met het oor opvangen, maar niet meer omzetten in geluid.
  • >120 dB verlies: vibratiedoof. Het oor van deze persoon kan ook geen trillingen meer waarnemen.

Naast de verschillende niveaus in slechthorendheid zijn er ook verschillen in de benaming van dove mensen. Mensen die doof zijn geboren of voor hun derde levensjaar doof zijn geworden worden prelinguaal doven genoemd en mensen die na hun derde levensjaar doof zijn geboren noemen we postlinguaal doven.
De indicatie criteria cluster 2 maken onderscheid in dove kinderen, slechthorende kinderen, kinderen met spraak- of taalmoeilijkheden en meervoudig gehandicapte kinderen.

De indicatiecriteria voor dove kinderen:

  1. De gehoorbeperking van het kind moet groter zijn dan 80 dB gemeten bij het beste oor.
  2. Het kind heeft een gehoorbeperking tussen de 70 en 80 dB maar is daarnaast dooffunctionerend. Dat wil zeggen dat het kind niet goed gebruik kan maken van de rest van de omgevingsgeluiden.

De indicatiecriteria voor slechthorende kinderen:

  1. De gehoorbeperking ligt tussen de 35 en 80 dB gemeten bij het beste oor en het kind heeft een leerachterstand.
  2. Het kind heeft ernstige moeite met communiceren en de zorgstructuur van het reguliere onderwijs in combinatie met de aangeboden hulp uit de zorgsector is aangetoond niet toereikend.

De indicatiecriteria voor kinderen met ernstige spraak- of taalmoeilijkheden:

  1. Het kind heeft voor de spraak- en/of taalmoeilijkheden therapie gekregen wat niet tot verbetering heeft geleid.
  2. Het kind heeft naast een spraakstoornis ook last van een andere stoornis.
  3. Het kind heeft een stoornis waardoor hij beperkt wordt in zijn communicatieve vaardigheden in sociale situaties en het kind heeft een leerachterstand opgelopen. Dit zijn bijvoorbeeld kinderen met een vorm van autisme die niet op hun plek zijn in het regulier onderwijs.
  4. Het kind heeft ernstige communicatieproblemen en de zorgstructuur vanuit het regulier onderwijs met ondersteunende hulp uit de zorgsector is niet toereikend.

De indicatiecriteria voor meervoudig gehandicapte kinderen:

  1. Kinderen met een gehoorbeperking van 35 dB of groter gemeten bij het beste oor die beschikken over een non-verbaal IQ van 70 of lager.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *