Cluster 2 onderwijs (dove, slechthorende kinderen)

Cluster 2 in het speciaal onderwijs zijn de scholen en instellingen die onderwijs aanbieden aan dove of slechthorende kinderen en kinderen met een communicatieve beperking. Dat wil zeggen dat kinderen bijvoorbeeld ernstige spraakmoeilijkheden ondervinden of dat ze erg veel moeite hebben met het leren spreken van taal. Daarnaast kunnen kinderen ook een vorm van autisme hebben waardoor ze niet goed communiceren.

Cluster 2 scholen

Scholen in cluster 2 volgen zoveel mogelijk het lesprogramma die wordt gegeven op een reguliere school. Het belangrijkste verschil tussen cluster 2 scholen en reguliere scholen is dat er extra mogelijkheden zijn voor het ontwikkelen van de communicatiemogelijkheden zoals gebarentaal. Daarnaast krijgen de kinderen vaak intensieve begeleiding van logopedisten en een orthopedagogen en leren ze over de dovencultuur. In die lessen leren de kinderen bijvoorbeeld kritisch te kijken naar de positie van doven en slechthorenden in de maatschappij.
Net als op andere scholen krijgen kinderen op cluster 2 scholen ICT les, aangezien de huidige technologie een goede ondersteuning kan bieden in het ontwikkelen van de communicatievaardigheden.
Op cluster 2 scholen worden de lessen vaak tweetalig gegeven: in het Nederlands en in Nederlandse gebarentaal (NGT). Het Nederlands heeft als functie de kinderen spraaktraining of spraakafzien te leren. Met spraakafzien wordt liplezen bedoeld. De cluster 2 scholen maken gebruik van de Nederlandse taal aangevuld met gebarentaal (afgekort NmG) of Totale Communicatie (afgekort TC) waarin de taal wordt ondersteund door visuele middelen als gebaren, foto’s, video’s et cetera. Het doel van Totale Communicatie is dat elk kind alle communicatievormen onder de knie heeft: spreken, lichaamstaal, pictogrammen en liplezen.

Nederlandse gebarentaal (NGT)

Het Nederlandse gebarentaal bestaat uit diverse gebaren opgedeeld in iconische, niet-iconische gebaren en een handalfabet. Iconische gebaren zijn gebaren waarbij de betekenis van het woord een duidelijk verband houdt met het gebaar wat erbij hoort. Een voorbeeld van een iconisch gebaar is het gebaar voor ‘huis’, namelijk het vormen van een dak aflopend in een muur.
Niet-iconische gebaren zijn gebaren waarbij het verband tussen de betekenis van het woord en het bijbehorende gebaar niet duidelijk aan te tonen is zoals het gebaar voor ‘moeder’. Om het Nederlandse gebaar voor ‘moeder’ te maken ga je met je wijsvinger horizontaal over je kin.
Tevens bestaat er in het Nederlandse gebarentaal een handalfabet waarin iedere letter zijn eigen gebaar heeft. Het handalfabet wordt voornamelijk gebruikt bij het spellen, maar er zijn ook dove en slechthorende mensen die uitsluitend door middel van het handalfabet met elkaar communiceren. Deze mensen maken dus geen gebruik van iconische en niet-iconische gebaren maar spellen als het ware alles heel snel.
Gebarentaal is een levende taal, net als gesproken Nederlandse taal. Dat betekent dat er steeds meer nieuwe gebaren bijkomen en ook gebaren verdwijnen. Tevens maken veel doven en slechthorenden gebruik van persoonlijke gebaren, bijvoorbeeld gebaren om aan te geven dat ze het hebben over iemand binnen hun kennissenkring. Dat kan een gebaar zijn voor een uiterlijk kenmerk, zoals krullen, of het gebaar van hun beroep bijvoorbeeld.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *